de jurkjes  .  de boodschappenman   .  de valiezen   .  containers   .  wolkenhuis   .  SPGHS 

de boodschappenman

“Fragments of a Rainy Season” (John Cale)

De beslommeringen van een mantelzorger.
Een serie getekende en geschreven notities.
(2016/2017)

de dagboekfragmenten.
niet per sé synchroon lopend met de tekeningen.

klik op een maand voor tekst.

getekende notities, gedurende ongeveer een jaar gemaakt.
volgorde chronologisch.

klik op een tekening om het beeld te vergroten.

Zal ik eens iets over mijn oude moedertje te berde brengen.
Toen haar ik gisteren opzocht, was ze verbaasd, hoewel we hadden afgesproken.
Wat kom je doen? Ik denk dat ik zo in bad ga.
Ja, maar nu ben ik bij jou.
Nou, ik ben deze week al drie keer in bad geweest.
Beetje de weg kwijt. Beetje oninvoelbaar lachen. Beetje de tijd kwijt en wat voor dag het is.
Toch goed volgen wat er gezegd wordt. Valt in slaap als ik iets uit de krant voorlees.
Ik zoek leuk nieuws uit en doe net of het nog voor-de-twintowers is.

Eten gemaakt. Soepje verorberd. Staartmezen geobserveerd.
Als ik een verhaal over De Staartmees begin voor te lezen, valt ze als een blok in slaap.
Nochtans is het een interessant verhaal over interfamiliale samenwerking via de mannelijke lijn.
Die mezen staan klaar voor elkaar!

Het gaat over de hele lijn niet zo goed. Ze spreekt steeds slechter en vergeet alles.
‘Ik denk zo langzaam’ zei ze laatst.
Er gaat de laatste tijd ook het een en ander mis.
De nieuwe thermoskan tref ik geblakerd en bijna ontploft aan: op het vuur gezet …
Het huis vol gas! Ik heb de toevoer van het fornuis afgesloten…
Er is een heel Paasei (bedoeld als cadeautje voor iemand anders) door mijn moeder opgegeten.
Abusievelijk. Niet expres. Best knap. Een Heel Groot Paasei (27€), gevuld met pralines, in haar eentje in een dag weggewerkt.

En de Kerst is alweer voorbij. Mama denkt nu dat ze zesenzestig is.
En laatst was er iemand, die had gezegd dat ze zelfs nog jonger was. Tiens.
Ik reken haar voor, dat ze in 1920 is geboren, dat het nu 2015 is, dus dat ze over vijf jaar honderd is.
Daar kijkt ze van op. En kijkt trots.

(September 2016)
Belt mama: de lamp is weg.

Welke lamp?
Nou gewoon de lamp in de kamer. (Ze tekent op een blokje De Lamp).
‘Daar zat mijn vader vaak onder te lezen’.

Vorige week was de stoel weg. Die grijze!! Lang over gepraat. Welke dan? En waar stond-ie?
En sinds wanneer? Afleidingsmanoeuvres, maar daar trapt ze niet in.
Als ik de volgende dag bel en voorzichtig pols .. Stoel? Welke stoel?

(Oktober 2016)
Belt mama. Er is iets vervelends. Om te beginnen is er iets gestolen.
Ze heeft de buurman geroepen om te kijken of er iets is gestolen. Nee, er is niets gestolen.
Tas? Nee, de tas is bij nader inzien niet gestolen.


Maar nog vervelender: ‘ik zag, dat het brood op was en toen ben ik eropuit gegaan. Om brood te kopen.
Vanuit mijn huis kun je de winkel zien.’ (Er is daar geen winkel…)
‘Ik zag de winkel’.
‘En is dat toevallig een broodwinkel?’
‘Ja, een broodwinkel. Maar ik heb de winkel niet bereikt.’
‘En hoe lang ben je nu weer thuis?’
‘Uurtje. Half uurtje.’

De kogel begint door de kerk te raken: de oude moeder moet naar een verzorgingstehuis.
Het wordt allemaal te bont en te raar en te vaag en te gevaarlijk.
Het huis in kwestie bezocht. Met broer en zus en later met moeder. Gesproken met de notaris, met beambten,
met deskundigen, met de zorg, de huisarts én met mijn moeder, die het natuurlijk niet ziet zitten.
‘Ik heb er nog eens over nagedacht, maar ik wil het niet’.
Met de tuinman doorgenomen wat er echt nog aan klussen moet gebeuren, voordat …
Het verval onder ogen gezien.
‘Deze meubels zijn niet van mij’.
‘ …???…’
‘Van wie zijn de meubels dan?’
‘Van de overburen’.
‘…’

(Januari 2017)
Mama zit in Het Huis. Een kleinschalig wooninitiatief. Een heel mooi huis dat wel. Het was allemaal zeer stresserend en hartverscheurend en dat is het nog. Ze is daar nu een maand. Het is een prachtig huis. Toen we haar brachten, hebben mijn zusje en ik gehuild. Mijn broer niet. Het deed hem niets, zei hij, maar de volgende dag heb ik wel een uur met hem getelefoneerd. Ze begint nu een beetje te wennen, lijkt het, maar wil nog steeds naar huis. Ze belt af en toe om te zeggen dat ze in een hotel zit, dat weet je toch?, een prachtig hotel, dat wel, maar ik wil nu wel weer eens naar huis.
We hadden daar kerstdiner – goed georganiseerd, gezellig zelfs – en na afloop wilde ze afrekenen en naar huis … Dit thema zal nog wel even blijven. Ze is erg gedesoriënteerd.
Intussen ben ik helemaal gaar geadministreerd. Je kan het allemaal niet bedenken of het moet geregeld worden. De verzekeringen, adreswijzigingen, afzeggen van van alles en nog wat, inschrijven in de gemeente, pgb, SVB, CIZ, CAK etcetcetc. Enfin. Het meeste zit er nu op en nu word ik enorm nerveus van hoe duur het wel niet is.

Kijk naar mijn moeder. Niet dom worden, niet gek worden, maar wel alles vergeten of erger nog: van alles gewoon niet meer weten. Er komt van alles eenvoudigweg niet binnen. Wordt niet meer opgeslagen of in elk geval erg mondjesmaat. Eilandjes van weten in een zee van vergetelheid. De eilandjes brokkelen af. Er is geen connectie meer tussen de eilandjes. Soms zitten we op het ene eilandje, dan weer op het andere, maar hoe we van A naar B moeten …? En wat die eilandjes met elkaar te maken hebben?

Nu weer gesodemieter met het pgb van mijn moeder, waarvoor ik, op basis van algemene volmacht, verantwoordelijk ben als Wettelijk Vertegenwoordiger. Volgens de SVB klopt de zorgovereenkomst niet, waardoor ik volledig in de stress schiet. Als je die instantie opbelt kunnen ze je niet te woord staan, omdat ze mijn coördinaten niet hebben. Moet ik een, nee De Volmacht opsturen, maar is de info op de site zo onduidelijk, dat het onmogelijk is in contact te treden met een beambte aldaar en ik heb geen flauw idee naar welk adres De Volmacht zou moeten.
Nog eens bellen. Mijn vraag is of de door mij aan te leveren info snel verwerkt zou kunnen worden. Nou, belt u over een week nog maar eens terug, want dat gebeurt door een andere afdeling en daarmee hebben wij hier geen contact. Ik hoop dat ik u voldoende heb ingelicht. Nou, NEE, natuurlijk. Paperasserie. Prettige dag nog.

Morgen de hele dag aan de bak met mama. Naar de röntgen (gevallen/ rugpijn) en naar de gynaecoloog. De mensen van het ziekenhuis, waar ik de afspraak maak, zijn meer dan vriendelijk en begripvol. Dat is dan weer fijn.

(Februari 2017)
Het gevoel van wanhoop. Van ontreddering. Mijn moeder.
Zij is ontredderd en ik ook.
Het huisje aan de Patrijzenlaan wordt langzaamaan leeg. Heel pijnlijk. Gisteren was ik bij haar. De val van enkele weken geleden heeft haar een gebroken rugwervel (!!) opgeleverd. Er wordt nogal rustig over gedaan, wat ook lijkt op bagatelliseren, en het heeft haar weinig goed gedaan.
Om niet te zeggen, dat ze nu helemaal een zombie is. Toen ik gisteren aankwam had ze geen idee wie ik was. Dat duurde even. Pas op haar kamer begon ze een beetje tot zichzelf te komen, maar er komt nauwelijks een woord uit. Alles, qua conversatie uit de kast getrokken tot ik het ook niet meer wist. Ik vind haar niet goed en ik vind het een kwelling om het te moeten aanzien. Voor haar is het ook een kwelling. Ze lijkt eenzamer dan in haar eigen huisje. Ze wil nog steeds ‘naar huis’. Ze is natuurlijk ook alles en iedereen kwijt. De dokter, de fysio, de thuiszorg, de kapper en vooral haar huis en de mooie tuin. Vannacht heb ik er slecht van geslapen. Ook de financiën beginnen me zorgen te baren. Hebben we de goede beslissing genomen? Ik was al haast zover dat ik diepe spijt had.
Maar. Denk aan de sanitaire wantoestanden daar in huis, denk aan de dwaalpartijen. Aan de vieze, slecht beredderde kleding (hoewel dat in dit huis nu ook een probleem is – ik heb stennis moeten maken over alweer een gemolde prachtige tweedrok). Ik moet huilen.

Het graven in de oude spullen van je ouders. Verborgen verloren levens. Ze zijn weg. Mijn vader helemaal, mijn moeder zo goed als. Alles is verbleekt, betekenisloos, gestolde tijd, kan ik er nóg een cliché op verzinnen…
Foto’s, oude vergeelde briefjes, dierbare dingetjes, kleine babyschoentjes, envelopjes met haarlokken, soms gedocumenteerd, soms niet. Soms een ontluisterende leegte, soms toch nog een verrassing. Dit is wat er overblijft. Ach. En dat vrouwtje zit weg te kwijnen in de Villa. Ik ben er ziek van.

Zo, we zijn vanmiddag eens even gaan kijken. Goed idee. Vrouwtje in goed humeur. Het is gezellig in het huis. De oudjes hebben net gedanst. Polonaise. Mama zegt spontaan ”Het is hier leuk”. En ze is volledig aanspreekbaar. We zitten in de serre. Goeie plek. Het heeft gesneeuwd, wat extra sfeer geeft. Beetje opgelucht.

Zat ik gisteren aan de tafel in de kamer van het oude huisje in Veere. Ik zou ’s avonds naar de bewonersvergadering van de Villa. Ik deed daarvoor wat boodschappen. Vond een winkel waar kleding gerepareerd kan worden. Ritsen ingezet en, beter nog, waar rokken voor mijn moeder gekopieerd kunnen worden voor een zeer redelijk bedrag. Rokken, die in de wasmachine kunnen, want alweer is er een rok verwoest.
Maar goed ik zit daar dus aan die tafel. Loop wat te rommelen in het huis. Lees een berichtje. Eet een stroopwafel. En wat is het stil. Geen zuchtje, geen geluid. Zelfs de vogels zwijgen. Geen auto, die passeert. Niks. Doodstil. Niets beweegt. Niets. Zo – bedenk ik – zo heeft ze hier al die jaren aan die tafel gezeten. Te wachten tot er een zorg langskwam of de poetsvrouw. Of wij. Of een vogel. Of niemand. Geen wonder dat ze van alles ging horen dat er niet was. Gezang en gepraat en luide muziek. Je zou er daadwerkelijk gek van worden. Bij mij begon het al na een uur.

De vergadering is oké. Mijn moeder gaat op tijd slapen. Ik ga haar welterusten wensen. Als een prinses ligt ze te glimmen in haar heerlijke bed. Het gaat wel goed.
Tijdens de vergadering wordt aan alle aanwezige bewoners gevraagd of ze tevreden zijn over de zorg. In alle vaagheid beantwoordt iedereen de vraag met JA.
Wat anders, denk ik. Eigenlijk kun je dat niet doen, zulke vragen stellen.
Op één na: de mevrouw antwoordt: ‘Nou volgens mij gééf ik meer dan dat ik krijg’.
Later, als ik wegga, komt dezelfde mevrouw samen met (naar mij later blijkt) haar man de trap af, nadat ze net met de lift naar boven zijn gestuurd om te gaan slapen. Op vrij dwingende toon wordt om de sleutel gevraagd, ‘want dan kunnen we naar huis’.
De sleutel, die eerst overzichtelijk aan een haakje hing is nu – het was nodig – buiten ieders bereik opgehangen. Er wordt hier op steeds grotere schaal ontsnapt.

(Maart 2017)
Dagje Zeeland. Op bezoek bij mama. De rust in mijn lijf begint weer te keren. Ik kan het een beetje loslaten, hoewel ik dat ervaar als ‘in de steek laten’.
Kopje koffie in de huiskamer. Mama is echt wel ver heen. Ze zit aan tafel met een medebewoner.
Mama schudt haar verwarde oude hoofd over de toestand van deze man. Zelfreflectie is – gelukkig voor allemaal daar – volledig afwezig. Als ik haar mond afveeg met een servetje, omdat de koffie er begint uit te lopen, hoor ik twee andere bewoonsters mompelen .. tistochwat … bij je eigen moeder der mond moeten poetsen .. tututututut. Ja.
Intussen begint eerder genoemde man bijna van zijn stoel te rollen. Hij heeft tot dat moment met zijn hoofd op tafel gelegen. De verzorgende dames snellen toe. Hij weet van geen wijken en wil op mijn stoel blijven leunen.
Er is een brief gekomen van Willemien V. ‘Lieve mevrouw van Laer .. etc…’
‘Zal ik hem voorlezen?’
‘Ja graag’.
‘Zal ik hem hier voor je neerzetten?’
‘Ja.’ Even later: ‘Wat is dat?’
‘Dat is een brief, mama, van Willemien. Zal ik hem voorlezen?’
‘Ja graag.’ Even later … ‘Ach, lees het eens voor’. Oké.
Na nog een kopje koffie en wat koetjes en kalfjes: ‘Zeg, ik heb een brief gekregen van Willemien.’ Ik heb de brief nog een keer of drie voorgelezen. Toen: Wanneer is vader overleden? Uhh? Ja. Bedoel je vader of bedoel je Tonnie? (mijn vader). Tonnie??? Pijnlijk. Het grijpt me aan.
Later op haar kamer bekijken we foto’s. O.a. eentje waar papa prominent op staat: ‘Tonnie’.
En: Greet V. en … ze herkent moeiteloos iedereen van minstens vijftig jaar geleden. Tja.

Daarna de hele middag keihard gewerkt in het oude huis. Opgeruimd en opgeruimd. Klaar voor de verkoop. Bijna dan. Ik voel me schuldig en een verrader, maar ik realiseer me dat het werkelijk niks meer uitmaakt, of het huis ‘er nog is’ of dat het verkocht is.

Milaan.Terwijl we het hotel binnenkomen gaat mijn telefoon: de huisarts van mijn moeder. Ze is gevallen. Oeps. Op haar gezicht. Grote bult. Protocollen schrijven voor dat er een CT-scan moet worden gemaakt. Of ik vind dat dat moet. Houdt ons bij de les.

(April 2017)
Ja, en zo is er weer een maand voorbij.Het huis staat te koop. Wervende teksten op Funda. Schitterende foto’s van een buitenkans. Narcissen en een feeërieke vijver. Ik, de verrader, heb me ingespannen om de paperasserie te doen.
Het oude vrouwtje is er intussen niet best aan toe. Fysiek niet en geestelijk ook niet. Ze brengt haar dagen slapende door. Op de bank in de grote serre, onder een paarse fleece plaid. Of in de fauteuil in het hoekje op haar decubituskussen.
Gisteren namen we haar mee voor een wandeling (per rolstoel) door het schitterende park met het mooie buiten ‘Torenvliet’. We gingen naar de ooievaars kijken die daar nestelen. Of ze daar iets van meekrijgt?
Eerdergenoemde medepatiënt is expansief aanwezig. Ik moet er wel erg om lachen, maar word er ook een beetje nerveus van. Hij komt zich regelmatig in onze omgeving ophouden, d.w.z. op 50 cm afstand. Dan komt hij vreemde passen maken, aan mama’s servetjes rommelen, haar rollator testen. Soort van conversatie volgt, maar gelukkig wordt hij dan weggeleid naar zijn eigen stoel, waar hij een autotijdschrift te lezen krijgt.
Mijn zusje heeft waargenomen dat op zeker ogenblik een aantal bewoners aan het ontsnappen was. Tezamen en in vereniging. De man, M., ging er ook vandoor.
‘M. waar ga je naartoe?’
‘Naar de grens’.
Goed antwoord.
Mama zit eigenlijk altijd in de gemeenschappelijke ruimte. Ze heeft er helemaal niets aan, maar toch – waarschijnlijk – beter dan alleen op haar kamer, laat staan thuis. Toestanden.
Mevrouw S, wil naar huis. Ik ben hier omdat ik in de war was, maar dat is nu over, dus wanneer kan ik naar huis. Laatst was er een situatie, omdat ‘iemand’ haar jas had verwisseld, want in de zak van de jas, die ze nu aanhad zaten haar sleutels niet ‘en hoe moet ik nu naar huis’. Boos. Ze verdacht met name mijn zusje.
Mevrouw de K. is altijd bezig met een breiwerk of iets wat daarvoor moet doorgaan: Een onduidelijke, grote, warrige kluwen wol.
Mevrouw De K. vertelt me dat het echt wel goed gaat, hoor, met mijn moeder. En vraagt hoe oud ze is. Ik vertel haar dat. Tsjonge, dat is een hele leeftijd, waarop ze me vraagt : ‘is dat nou je dochtertje?’ wijzend op mama. Ik begin te lachen en zeg nee dat is mijn moeder. Ik ben háár dochter. Ze kijkt of ze water ziet branden. Maar daarvoor is in deze setting niet heel veel nodig.
Mevrouw St. heeft een hondje. Dat is haar wisselgeld.
Gisteren zaten we in de tuin. Volgens twee nogal frikkerige dames, altijd samen en beter dan de rest, slimmer dan die suffe medepatiënten, moesten we ergens anders gaan zitten, want de door ons bedachte plek was niet goed voor mijn moeder. En daar kwam – slof slof slof  met zijn grote voeten – M. weer aanzetten, om van zeer dichtbij, R. vriendelijk te begroeten en vervolgens met halsbrekende toeren elders te gaan zitten. (Waar hij overigens kort daarvoor was weggejaagd door een medebewoner: ‘Mag M. hier even komen zitten?’,’Nee, alsjeblieft niet?’ )
Het is bizar.
Daarbij denk ik dat het met de oude mama op zijn eindje loopt. Ze is nauwelijks meer aanwezig. De communicatie is heel moeilijk. Hoewel ze af en toe duidelijke vragen heeft over haar huis. Gelukkig ook nog weet wie ik ben. Het zal zo’n opluchting zijn als het voorbij is. En tegelijk zal ik zo verdrietig zijn, maar dat ben ik nu ook. Haar lichaam trekt het gewoon niet meer. Haar longen zijn op, waardoor ze niet kan hoesten en slikken gaat heel moeizaam.
Intussen gaat de paperasserie verder en voort. Je wordt er gestoord van. Denk je dat je de boel op de rails hebt, komt er wéér een brief van Het Zorgkantoor: ze willen met mama praten (veel succes!) en met mij en de nota’s zien en mijn administratie en onze identiteitsbewijzen.
Je zou er iets van krijgen. Elke dag is er wel iets: een formulier voor de apotheek, de tandheelkundige zorg, het zorgkantoor, een levensbewijs voor de pensioenen.

Alweer een dag die niet formulierloos verloopt.
De E-mail brengt berichten van de Belastingman. Aangifte in orde. U mag een teruggaafje verwachten. Maar o ja by the way kunt u me even de ins en outs verstrekken én de polis van de lijfrentesituatie (die al sinds 1990 heeft staan sudderen en die nominaal 0 nul cent in het laadje brengt).
Word ik hier wanhopig van? En o ja ook graag even het AKKOORDformuliertje invullen, scannen en opsturen iew iew iew.
Zo gaat dat.
En kunt u ook even de bouwtekeningen van de Patrijzenlaan opsturen en …

Ik heb altijd gezegd dat e-mail en alles wat ermee samenhangt werk GENEREERT. Je krijgt er niet minder werk door, je krijgt het niet rustiger, het is niet makkelijker, het is ook niet efficiënter, nee: het wordt steeds erger.
Vroeger, – nu even opletten #millennials: –
vroeger dacht je, ach ik zie hem volgende week, dan vraag ik het wel even. Nu komt elke scheet, elke natte scheet, elke oprisping, elke halve gedachte op de mail, al dan niet in de vorm van een verzoek om bijgaand formulier even te willen invullen en verzenden.

Gisteren weer mamadag. Gesprek, samen met mijn zus, met de huisarts, die net als wij vindt, dat er geen grote ingrepen meer moeten gebeuren, maar dat ze zo goed mogelijk moet worden verzorgd/verpleegd.
En nee, helemaal eerst moet ik nog wat admin doen voor me moeder. Bijvoorbeeld moet ik antwoord geven op de vraag of een heupversterkende slip besteld moet worden .. Omdat ze steeds omvalt is het risico op (nog meer) breuken aanzienlijk. Dat zijn rare broeken. Als het een goed idee is: doen, maar ik weet het niet. Er bestaan dus werelden, waarvan je geen idee hebt.

(Mei 2017)
Mooie gesprekken met de bijna 8-jarige kleinzoon. Over oud worden.
‘Wat gaan de jaren toch langzaam!’
Ik zeg dat ze erg snel gaan als je oud bent. Nou, dat ziet hij wel zitten.
Ga jij maar fijne dingen doen in al die tijd die je hebt.
En dat hij nu nog 93 jaar heeft! Voordat hij 100 wordt en ik dus nog 34! Want blijkbaar wordt iedereen honderd.
En hij kan goed rekenen.
En mijn moeder ‘moet nog’ vier jaar, waarop ik zeg, dat ik dat niet hoop.
Waaróm niet!! Hij hoopt van wel. Ik hoop dat ze hónderd wordt!
Ik leg uit dat ze zo oud is dat ze bijna niet meer kan praten en dat ze alles vergeet en dat ze zo gekrompen is, dat ze ongeveer net zo groot is als hij en dat het niet meer zo fijn is als iedereen alles voor je moet doen. Etc. Hm. Ja.
En nu gaan we slapen. Welterusten Noah, tot morgen!

Weer naar oude mama. Ik moet een controlebezoek ervaren. Het Zorgkantoor checkt of de oude mama wel zwak en oud genoeg is om in zo een Villa te mogen verblijven. En of ik de administratie wel een beetje op orde heb. Ik spreid alle mapjes en ordners, die in de tijd van enkele maanden zijn ontstaan, voor de mevrouw uit. ‘Zegt u het maar’ zeg ik puntig.
Enfin, er ontspint zich een gesprek, hartelijk, noch onhartelijk. Blij dat ze opzout. Over 3 jaar weer.

Moet ik Het Energielabel van de woning te V aanpassen. Oh, sprak luchtig de mevrouw van het makelaarskantoor, dat is zo gebeurd, even inloggen met DigiD en Klaar is Kees.
Vijf uur later zucht ik onder de last van weer nieuwe ambtenarij, een rit naar Veere om de boilers te fotograferen (!) en een slecht e-label.
Vandaag teken ik – namens mijn moeder – de opdracht tot verkoop van haar huis.
Verrader.
Het woord sluipt weer door mijn hersenen. Straks ga ik het nog bonter maken: de verkoop zal bezegeld worden. Het is droef, maar het is onvermijdelijk en als we het nu niet doen moeten we het later doen. Dus.

Intussen in de Villa, waar ik eergisteren ook nog was. Als ik binnenkom zit meneer D. kwaad bij de voordeur. Hij vraagt elke paar minuten of hij naar buiten mag. In de woonkamer zitten een paar late ontbijters, onder wie mijn moeder. Het duurt tegenwoordig altijd een poosje, voordat ze doorheeft wie ik ben, maar dan breekt een flauwe glimlach door. Ze zit flink te eten. Er gaat een hele boterham met jam, in miniblokjes gesneden, naar binnen. En een kopje thee en een beetje appelmoes (voor de pillen).
De conversatie loopt niet echt, maar vooruit. Ze vindt het feit dat ik ’s morgens yoghurt met muesli eet – ‘heb jij wel gegeten?’ is de vraag – bijzonder grappig. De rest van de aanwezigen luistert met oren op steeltjes. Iedereen bemoeit zich er mee. Pfft. We gaan in de serre zitten, waar we iets meer ongestoord zijn, maar later komen ze weer.
Om te beginnen de breister met haar breimandje. Het moet een shawl worden, geen trui.
Het breisel zit hevig in de knoop en de zes breinaalden, al dan niet achterstevoren, doen de zaak weinig goed. Een van de verzorgsters is de rest van de ochtend doende de resultaten uit de knoop te halen en het werk een nieuwe impuls te geven. Mama slaapt.
M. loopt dwangmatig routes, die voeren vlak achter en scherp langs mijn inmiddels scheef gezakte oude mama. Hij wordt terechtgewezen en zakt neer in een fauteuil, waar hij roerloos blijft zitten.
Wilt u nog een kopje koffie?
Na het uitzwaaien ga ik naar Veere, waar ik de overvolle vuilbak ga legen in meegebrachte vuilniszakken om mij aldus te ontdoen van het niet van gemeentewege opgehaalde, en al in staat van ontbinding verkerend stinkvuil. Bah bah bah. Meegenomen in eigen wagen om te Antwerpen in de vuilcontainers te flikkeren. Bah bah bah. Twee dagen later stinkt mijn auto nog. Thuis meteen onder de douche en al mijn kleren in de was. Tijdens het legen van de bak kom ik de rotte restanten tegen van de laatste maanden. Bah bah bah. Met de hogedrukspuit verwijder ik de laatste aangekoekte resten van een heel leven.

Vandaag heeft ze een ‘high tea’ achter de rug en nu zit ze te suffen in haar stoel. Of nee: op het moment dat wij arriveren begint ze op te staan, omdat ze denkt dat de telefoon gaat en die kennelijk wil gaan beantwoorden. Enfin. Feyenoord wordt blijkens het megascherm landskampioen. Enkele bewoners zitten te kijken en ook mijn moeder wil weten wie ‘de blauwen’ zijn. (Herakles, Almelo). Verder geen commentaar.
Dan hebben we, als de voetbal wat geluwd is nog een kleine conversatie. Ik praat over dit en over dat en om eens iets te vertellen, dat ik me aan het verdiepen ben in het Taoïsme. Ze veert overeind.
‘Wat is dat?’ Ik zeg een paar dingetjes.
‘Daar moet je me eens álles over vertellen’.
De oude mama, de mama van de boeken, van ‘dat moet je eens lezen’, en ‘heb je het nu al gelezen?’, is opeens helemaal aanwezig, al duurt het maar een minuutje.

(Juni 2017)
Ga ik bij 35*  de boel lopen schoonmaken. Dan maar. Of merkjes aanbrengen op de kleren van mijn moeder. Met een heet strijkijzer. Er staat weer een zak kleding en diversen klaar, wel de laatste, die naar de Villa gaat. Enkele bloesjes en een paar rokken. Het komt allemaal goed. Ze ziet er altijd keurig en goed verzorgd uit, dus ik maak me er niet meer druk over. Een hele rust en een zorg minder. De verkoop van het huis vordert gestaag. Alweer een paperas getekend.

Vandaag bijna niks. Ik word vroeg wakker, zet thee en ga nog even slapen. Op de bank naast de open deur. Om half negen gaat de wekker, die ik uitzet en om half tien word ik nogmaals wakker. Het administreren kan weer beginnen. Er is weer iets met het pgb van me moeder. Formulieren formulieren formulieren. Printen scannen printen scannen. Ik wil de spullen uploaden naar de SVB, maar dat is teveel gevraagd. Dan maar met een dikke enveloppe naar de brievenbus en vertrouwen hebben. In De Post.

En ik was weer bij het oude broze vrouwtje, mijn mama Maatje.
Ze zat zwaar te slapen in de tuin. Onder de parasol. Dat tegen haar zin, want ze wil altijd in de volle zon zitten, hittegolf of niet. Het duurde wel een half uur, voordat ze een beetje bij de les was. Er was cake met aardbeien en slagroom, die eerst niet, maar later wel verzwolgen werd. Toen maakten we een rondje door de tuin. Ze loopt weer goed, dwz ze loopt weer. Hoeft niet meer verplaatst te worden in een rolstoel. Ja. Ik ben dan wel zo’n beetje uitgeluld. Uit de diepste krochten van mijn hoofd komen er wat verhalen. Sommige dingen – bv ‘met de verkoop van het huis gaat het gesmeerd’ – kun je niet zeggen. Jammer genoeg. Overigens was het heerlijk luchtig in Middelburg. Wel warm, maar niet te erg. En er stond een lekker windje en er is daar frisse lucht. Heerlijk. Mooi zeilweer. En gelukkig heeft het een beetje geregend en geonweerd. De temperatuur is wat gezakt.

Verder communiceer ik noodgedwongen met een oude nicht van mijn moeder. Corrie H. Ze stuurt mama steeds briefjes met verhalen uit de oude doos. Die moet ik dan een keer of zes voorlezen en dan is mama telkens blij. Het dringt heel langzaam door en zeer gefragmenteerd.
Ik wilde dat iemand me eens goed kon uitleggen hoe dementie werkt. Evident is dat mijn moeder niet ‘gek’ is. Ze kan zich alleen niks herinneren, nee dat is niet waar, ze kan niks van wat zich tegenwoordig aan haar voordoet onthouden, maar ze herinnert zich van alles. Van vroeger.
Mensen, plaatsen, dingen, muziek, hoewel de oriëntatie in tijd en plaats helemaal in de war is. Iets van 70 jaar geleden beleeft ze als was het gisteren gebeurd. Soms kan ze opeens een opmerking maken over kleding, die ik draag: ‘wat een leuk vest is dat’ of ‘wat een mooie jas heb je aan’, meestal gevolgd door ‘hoe kom je daaraan?’.
Daarin is niets veranderd. Of soms zegt ze opeens iets over haar medebewoners: ‘Een aardig mens’. Dat neemt ze dus waar. Ze verbindt conclusies aan wat er om haar heen gebeurt, maar het is voor mij niet meer te volgen. Ik begrijp niet wat er zich in haar hoofd afspeelt. Soms stel ik een vraag, waarop pas na ruim een half uur antwoord komt. Hoe gaat dat? Zelf ben ik dan al vergeten, waarover het ook weer ging, maar dwars door alles heen komt er opeens een relevante opmerking. Dat wil zeggen, een half uur eerder zou het relevant zijn geweest. Tja.

Maatje is back in business. Ze hebben haar gisternacht gesnapt op de gang, waar ze zonder rollator er flink de sokken in zette.
Vandaag biedt ze Ronald (directeur-eigenaar van de Villa) vriendelijk een kopje koffie aan en vraagt of hij hier werkt en ‘bevalt het?’ en als ik haar vraag wat ‘vlinder’ nou ook weer is in het Frans, antwoordt ze zonder een milliseconde aarzeling: ‘papillon’.

(Juli 2017)
Er was feest met BBQ in de Villa. Op het laatste moment besluiten we te gaan en het is heel gezellig. Ik ben ontroerd door de liefde die ik daar zie. Voor de bewoners, voor ons als familie, van de mensen onderling voor elkaar. Mama begint contacten te krijgen, zij het summier en haast niet mogelijk, maar ze heeft meningen en ideeën over de medebewoners. Vindt opeens iemand aardig. Ik kan me helemaal niet voorstellen op welk niveau ze communiceren, maar het is een groot geluk, dat dit loopt zoals het loopt.
We zitten in de tuin, terwijl een soort Josti-band van de overburen optreedt met liederen en er komen er allerlei mensen naar mama toe om haar te begroeten. Ze vinden haar allemaal keilief en mama is helemaal in haar nopjes. Met een allerliefste nachtzuster, blijkt ze een heel warm contact te hebben. Maakt mij heel blij. We maken daar iets mee, waarvan we dachten dat het niet meer kon.

En zo is alles weer es anders.Komt vanmorgen het bericht dat mijn moeder haar heup heeft gebroken. Ik zit nu in het ziekenhuis in Goes. Ik moet zeggen dat ze er redelijk bij is. Was eerst heel erg aan het slapen, maar was toen blij om me te zien. Ze wist dat ze uit bed was gevallen. Daarna heeft ze me uitgebreid verteld over haar grootvader en waar die woonde. Die had een schitterende tuin. Alsof het gisteren was.
Op dit moment zit ik in de ‘familiekamer’. Voor mij staat een kartonnen bekertje met vieze Douwe Egbertkoffie. Ik was juist van plan om een schitterend kopje espresso te maken, thuis, met het nieuwe espressoapparaat, maar helaas bevind ik me op de afdeling ‘acute opname’ van het ADRZ. Tja. Morgen zal ze worden geopereerd. Helaas niet nu. Ik denk nu dat haar laatste uurtjes geslagen hebben, maar je weet het niet. Ze is een ouwe taaie. Maar leuk is anders. We zullen het zien en beleven.

Wat een narigheid. En het ging net zo goed. Het feestje eergisteren was prima. Mama helemaal in haar element. Het enige dat je kunt denken is, dat als het niet goed gaat ze toch een aantal goeie maanden heeft gehad met lieve mensen en gezelligheid.

Intussen op de afdeling. Tijdens mijn afwezigheid is de theebeker omgevallen op haar bed en op haar, zodat alles, de sprei, de dekdeken, het dekbed, haar pyjama, nat is. Schone pyjama, schoon dekbed en ik neem de rest mee om te wassen. Een half uur later is er weer iets nat. Dit keer is de katheter losgegaan. Onderlaken drijfnat en het nieuwe dekbed. Opnieuw een hele operatie om alles te verversen.

Dan ontspint zich achter een gordijn elders in de kamer een gesprek tussen een nieuwe patiënt en een verpleegster. Bekend terrein. Waar is mijn sleutel? Die heeft u hier niet nodig hoor. Dit is het ziekenhuis. U hebt uw heup gebroken, daarom doet het ook pijn. En uw kat wordt goed verzorgd. De mensen van Zorgstroom, die altijd voor u zorgen, gaan uw kat eten geven.
Maar staat alles nog in mijn huis? Ja er is niks weg. Dit herhaalt zich een keer of tien. En weten de mensen dat ik hier ben? Ja, de mensen weten het.Ik schiet helemaal vol. Op afstand lijkt het erger dan van dichtbij. Wat moet dit worden?
Mama ook: moet ik hier blijven? Ga ik niet naar huis? Nee, morgen word je geopereerd – GEOPEREERD? – ja, geopereerd, je hebt je heup gebroken en daarna, als het goed gaat, ga je weer naar huis. Waarbij steeds de vraag is wat ‘naar huis’ voor haar betekent.

Het is 20 over elf a.m. Het wachten is op de operatie. Misschien vanmiddag of vanavond en misschien zelfs morgen. Het oude, kranige, maar helemaal verschrompelde vrouwtje moet geduld hebben en wij ook. Wat gaat dit brengen?

Om 13.30u ren ik naar haar kamer. Over 15 minuten wordt ze naar de OK gebracht. Ik wil haar nog even zien. Sterkte wensen. Net op tijd. Ik begrijp het niet. Je bent in het ziekenhuis. HET ZIEKENHUIS? Je wordt geopereerd.
‘Ik begrijp het niet’.
‘Je wordt geopereerd aan je heup je bent gevallen en je hebt je heup gebroken daarom ben je hier en daarom doet het pijn en nu word je geopereerd en iedereen gaat heel goed voor je zorgen en als je weer wakker bent komen we naar je toe. En je bent een ouwe taaie dat weten we nou wel en hou je goed hoor het komt goed. Daaag. Dag lieverd. Hou je goed. Daaaag’.

Operatie geslaagd. Vrouwtje helemaal in de war. Is in één keer teruggeflitst naar twintig jaar geleden. Mijn zusje en ik zijn in het ziekenhuis. Slangen en rollend materieel. Het oude vrouwtje zegt – ik begrijp het niet – ik begrijp het niet – hoe ben ik hier gekomen – hoe is het met Tonnie – is het goed met Tonnie – ik begrijp het niet – waarom komt hij niet – komt Tonnie – waarom komt hij niet – is het goed met hem – ik begrijp niet dat Tonnie niet komt

grijze stilte

Na bliksemconsult – ik moet wenen – bij de lieve verpleegster, vraag ik – wat denk je mama – tijdje stil – is hij dood – ja – weet je nog dat hij zo ziek was, zijn slokdarm – dat is heel lang geleden – heel lang – stilte – ik begrijp het niet – hoe kom ik hier – …

Oké. ‘Naar huis’ is dus naar het oude huis. En: Heb ik mijn auto nog. Nee, die heb je niet meer.

Dus – terug in de Villa – moet ik mijn moeder opnieuw op de hoogte brengen van het overlijden van haar man – weliswaar 12 jaar geleden – met wie ze bijna zestig jaar getrouwd is geweest. Dus kwam het weer binnen als een mokerslag. Dus is het allemaal niet leuk. Maar ze herinnert zich het feestje in de tuin van de Villa. Ze herinnert zich meneer D. Heeft-ie ook zijn heup gebroken?
Wat gaat er om in zo’n oud hoofdje.

Tijdreizigers. Nu is toen. En toen is gisteren of morgen. En droevig is het toch.
Terugflits.
Ik zit bij mijn ouders in de tuin. Alles is nog gewoon. Geen idee van wat er komt. Bezet door eigen gedachten. Kopje thee. Biertje. Nee, we blijven niet eten. Hebben een afspraak in de stad. Nee, we bellen nog wel. Ja, ja het was gezellig. Ja. Dag, tot gauw. Dag. Daaag. Daaaaag. (Zwaaien tot we elkaar niet meer zien).

Oude vrouwtje ligt in haar eigen kamer in (nieuw ziekenhuis)bed. (Met hekje). Helemaal de weg kwijt. Terug bij af. Jullie moeten me naar huis brengen. Wat is dit voor kamer. Heb jij deze kamer wel eens gezien. Begrijpt niet waar de pijn vandaan komt. Herkent schilderijen: die heb ik thuis ook. Zullen we eens even naar buiten gaan. Begint pogingen te ondernemen om uit bed te klimmen.

Bij de mama op bezoek. Ze zit in de serre van de Villa. Het gaat nogal. Gelet op het feit dat ze een heupoperatie achter de rug heeft, is ze behoorlijk bij de tijd. Er is weer een brief van Corrie H., nicht. Er staan nogal veel overlijdens in gememoreerd. Bijvoorbeeld van mama’s eigen vader op ongeveer 3 september 1948.
Toevalligerwijs hadden we het er net over. Omdat ze zich dat afvroeg en ik dat wel zou weten. Waarbij mij dan niet helemaal duidelijk is of het gaat over het overlijden van mijn vader of van de hare.
Ja, we bevinden ons deze dagen in het jaar 1948. We hebben veel gesproken over de Burgemeester De Raadtsingel in Dordt. Ik zei dat ik helaas Opa Stevense, Marinus, haar vader, nooit heb gekend. Hè?? Nee, echt niet. Jammer, vindt ze. Ja. Jammer vind ik ook. Daarnaast bedenk ik opeens dat dat verwarrend moet zijn: papa is overleden op 5 september. Ongeveer dezelfde dag dus. Zij het 57 jaar later.
Ze is ver heen, maar iedereen is superlief voor haar. Volgens R. praat ik te kleuterachtig.
Ja, ik zal mijn leven beteren. Het is alleen zo moeilijk om de juiste toon te vinden. Om duidelijk genoeg te zijn. En dan: hoort ze het? Hoort ze het, maar begrijpt ze het ook. En wat speelt zich verder af in het hoofd. Is het duidelijk, moet ik het nog een keer zeggen. Hoe dan ook duurt het vrij lang voordat berichten verwerkt worden. Nou ja. We zijn er met koffietijd. De serre zit vol. De breister is erg in de war, paniekerig. Wil helemaal niks. Meneer D. heeft zich keurig aangekleed om de deur uit te gaan. (Wat niet mag). Andere meneer D. is blij me te herkennen en we groeten elkaar hartelijk. M. gaat er speciaal voor verzitten, zodat hij niets van de conversatie – if any – hoeft te missen, net zoals de mevrouw, die al maanden op dezelfde bladzijde van hetzelfde boek is. Oren op steeltjes.

Ik ben met mijn zusje in de Villa: het oude moedertje is flink de kluts kwijt. Met moeite herkent ze ons en de eerste vraag is: ‘Waar is Tonnie. Ik begrijp niet, dat hij me niet is komen opzoeken’. Het is hartverscheurend. Zitten wachten op een plek, die je maar nauwelijks begrijpt, waarvan je denkt dat het een hotel is, een tijdelijke plek, op iemand, die niet komt, waarna je te horen krijgt dat hij is gestorven, terwijl je dat opnieuw niet gaat onthouden, zodat het akelige nieuws nog wel eens gebracht zal worden.
‘Weten de mensen het?’ ‘Ja’. ‘In Kruiningen moeten de mensen dat ook weten’. ‘Ja, ze weten het’. ‘Ik begrijp het niet’. ‘Waarom weet iedereen het en ik niet?’ ‘Ik heb dat nooit geweten.’ ‘En weten zijn vader en zijn moeder het ook?’ ‘Maar hij moet toch naar de praktijk’. ‘En waarom hebben jullie dat niet tegen me gezegd?’ Etc. en dat het voor ons toch ook wat is geen vader meer te hebben, maar gelukkig hebben jullie mij nog.
Andere kwestie: ‘Maar hier kan ik toch niet blijven’. ‘Jawel, je kunt hier heel lang blijven’. ‘Maar wie moet dat betalen?’ ‘Nou, jij’. ‘Maar kan ik dat betalen? Hoeveel geld krijg ik in de maand?’ ‘Genoeg, mama’. ‘Nou ik dacht eraan om de schooltandverzorging maar weer eens te gaan oppakken, want dit moet toch betaald worden’. En verder dacht ze er aan om nog eens een buitenlandse reis te ondernemen.

(Augustus 2017)
Het oude vrouwtje raakt meer en meer verkreukeld. Ze heeft nog flink pijn aan die heup, maar toch gaat het wel goed. Ze moet echt een poosje denken wie ik ben, maar dan is ze er weer. Ik vertel van Texel, waarop ze me vraagt of ik de familie nog heb gezien. Vorige keer beweerde ze dat haar moeder daar woont. Ik geef een vaag antwoord.
Er is taart van een jarige. Dat valt goed in de smaak.
Aan een belendende tafel zit een gezelschapje. Onder andere mevrouw S., die tegenwoordig allerlei werkjes te doen krijgt, om haar haar slechte humeur te doen vergeten.
Ik hoor haar duidelijk articulerend zeggen: ‘Nou, ik ben wel benieuwd wanneer we allemaal weer eens naar huis gaan’.
De rest veert – vzv mogelijk – op en begint zich dat ook af te vragen. Een enkeling begint daadwerkelijk zijn jas aan te trekken.

Mijn moeder slaapt alleen maar als ik bij haar zit. Ik roep hallo en goedemorgen en hoe gaat het en hoe voel je je en de groeten van R., maar ze geeft geen sjoege. Ronkt voort.
Mama slaapt meer dan dat ze erbij is. Dit kan gewoon niet lang meer duren. Ik denk soms echt dat ze doodgaat, terwijl ik haar hand zit vast te houden. Het telefoontje zal me niet verbazen als het komt.

Om ons heen zitten enkele andere bewoners, met wie ik dan maar praatjes maak. De breister breit voort, maar niet heus. Ik haal voor haar de warboel uit elkaar – er zitten twee extra bollen wol verstrikt in het werk – haal het bestaande breiwerk, vzv je dat zo kunt noemen, uit en zet een nieuw breiwerkje op. Brei een paar ribbeltjes onder het uitspreken van de mantra insteken draadje omslaan door laten piepen af laten gaan insteken draadje omslaan door laten piepen af laten gaan insteken draadje omslaan door laten piepen af laten gaan.
Ze volgt het met argusogen en denkt niet dat het zal gaan. Later zie ik uit een ooghoek dat er weer een flinke knoedel aan het ontstaan is.
En ze willen allemaal ‘naar huis’.
En ‘hier en nu’ krijgt een heel nieuwe betekenis.

Het algehele sentiment in het huis is: we zijn hier tijdelijk, straks gaan we weer naar huis. De mevrouw (oud-verpleegster, met speld) zit daar met haar man. Zij is de baas, duidelijke zaak, en regelt voortdurend hun beider vertrek. ‘Zo Jan, zullen we eens opstappen? Hier is je jas. Het is kwart voor 1’. (horloge bevindt zich eveneens in een ander tijdsuniversum). Jan heeft iets beter door, hoe de werkelijke situatie is en beweegt niet. En daar is mevrouw St. ‘Waar is mijn hond?’. ‘In de hal, mevrouw St.’. ‘Waar is de hal?’ We gaan nu aan tafel, mevrouw St.’ ‘Waar is de tafel?’ Een en ander hoofdschuddend gadegeslagen door een andere bewoonster.

En weer is alles anders.
Om 8 uur gaat de telefoon. Ik lig nog in bed. De Villa. Mama is helemaal niet goed. Hoest bloed en is totaal in paniek en is onderweg naar het ziekenhuis in Goes. Ik sta daar een uur later.
Een oud verfrommeld vrouwtje. Longontsteking en het eerste wat de dokter zegt is dat ze eraan kan overlijden.
Mama herkent me en zegt: ‘leuk!’. ‘Leuk dat je er bent’. Dat is het laatste geweest.

260817
De laatste dagen zijn er eerst nog antibiotica toegediend en morfine tegen de benauwdheid. Later lorazepam tegen de paniek en angst. Nog weer later dormicum, eerst een spuitje en toen een pompje. Vandaag is er een pompje morfine bijgekomen. De dosis is intussen verhoogd. Nacht 1 is mijn zusje bij haar, nacht 2 wij alle drie. Mijn broer en ik slapend in een stoel. Nacht 3 mijn zusje en ik. Het geluid van de non-stop zagende ademhaling zit in mijn hoofd. Gisteravond waren mijn zus en ik met zijn tweeën en we dachten dat het voorbij was. Er zaten lange pauzes tussen de adem in. Toen begon de paniek weer. Morfine en ze ademde weer normaal. ‘Normaal’.
Het is nu 21 uur. Wat zal de nacht brengen? Het feit dat ze er feitelijk niet meer is, is erg naar. De eerste dag was er nog wel een soort contact, waren er reacties, maar nu is alles weg. Ze is in coma en geeft niet op. Een beetje zoals bij mijn vader, die er na de ‘palliatieve ingreep’ ook nog drie dagen over heeft gedaan en het huis vulde met zijn ademhaling.
Ik ben minder onthutst, verbijsterd dan toen bij mijn vader – dat was totaal onaanvaardbaar en onbevattelijk – maar er hoeft niks te gebeuren of de tranen zijn daar. Mijn zusje laat me een gedicht lezen van Vasalis .. Ach ..

Sub Finem

En nu nog maar alleen
het lichaam los te laten –
de liefste en de kinderen te laten gaan
alleen nog maar het sterke licht
het rode, zuivere van de late zon
te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
Het werd, het was, het is gedaan.

Vasalis

Uit: De Oude Kustlijn

Ja.

de jurkjes  .  de boodschappenman   .  de valiezen   .  containers   .  wolkenhuis   .  SPGHS