I.
Klein kaasjeskruid, koekoeksbloemen, venkel, reuzenslangenkruid.
Valeriaan, dat staat overal, roze, rood en wit: In de herfst bij dageraad de wortels oogsten, die bij volle maan koken en er bij de daaropvolgende nieuwe maan een tinctuur van maken.
Ik begin te begrijpen waarom de mensen hier zo ontspannen zijn.
We zijn in het Keltische westen van Frankrijk.
De hele dag buiten. Gelopen en gelopen. We nemen de veerboot naar een klein eiland in de oceaan. Het is mistig, maar af en toe komt de zon door.
We lopen langs een strandje met spierwit zand. Daarboven zweven nevelslierten. Magisch. Er zijn kleine akkers, waar venkel en aardappelen groeien. Het is er doodstil deze ochtend. Midden in een ruig ‘niemandsveldje’ staat een oude geurende rozenstruik.
Maagdenpalm, oost-indische kers. Een weelde. Het ruikt naar hooi en kruiden.
Afwisselend is het koud, warm, zonnig, mistig. Soms voel je de ijskoude mistdruppeltjes, dan weer de gloeiende zon op je huid.
Nieuwe dag. Kleine wandeling. Kamperfoelie, koekoeksbloemen, berenklauw. De zon brandt en de wind verkoelt. Madeliefjes, slaapmutsjes, klaprozen. En wikke, winde, weegbree, kamille, zandblauwtje, ogentroost, ereprijs, paardenbloem, klaver, wilde venkel, zuring en grote geurende struiken bloeiende liguster, die mij doen denken aan de tuin van mijn oma in Dordrecht.
De volgende dag begint mistig. Ik zit in alle vroegte op mijn terras. Ik lees. Ik hoor de vogels. Ik zie beneden mij het ebstrand. De bootjes hangen op hun zij te wachten tot het weer hoog water wordt. De lucht is vochtig. Het ruikt vochtig en zout. Het belooft een mooie dag te worden.
Achter de nevel voel je de zon. En dan breekt die door.
Ik heb mijn boek uit.
Glas [gla:z]: Bretons voor de kleur groengrijsblauw, voor de zee.
Als in het Chinees: qīng, voor de bergen in de verte.
Nieuwe wandeling. Door holle paden, langs het water, door het bos. Margrieten, varens, rode en witte klaver, kruipende klaver, klimmende winde, vertakte leeuwentand, mooie hoge grassen (speciaal voor de hooikoortsigen), bloeiende bramenstruiken, vlier, fluitekruid en zodra je in de bewoonde wereld komt: overal grote hortensiastruiken. Veel vogels. Ik herken het geluid van de zwartkop.
Boven ons terras, op een elektriciteitspaal, zat afgelopen week een heggenmus te fluiten. Dag in dag uit, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, totdat een dag of drie geleden alle hagen in de omgeving werden geschoren: Chainsaw massacre. Doodse stilte. Wel meer zwartkop, kneu, roodborst en winterkoninkje nu.
Vandaag 18.34u: de heggenmus is terug!
04.01u Ik kan niet slapen.
05.32u De vogels (merel, zwartkop, mees, heggenmus!, gewone mus, roodborst, winterkoninkje, meeuw, duif) zijn klaarwakker. Ik ook.
21.02u Stil. Het wordt helemaal stil. De vogels zijn, op de merel na, klaar. De bijen in de bijenkorven zoemen zachter. Er klotst een roeibootje over het water. Hoog een vliegtuig. Toch nog een mus. Motorbootje in de verte. De wind is bijna helemaal gaan liggen.
II.
Nieuw stadje.
Het hotel ademt vergane glorie. Deze hele stad is vergane glorie. Oude vervallen residenties. Grijze steen. Veel graffiti die oproept tot actie of die blijk geeft van ongenoegen over van alles. We lopen een beetje kriskras door kleine straatjes en langs het water. De haven. Vroeger, tot begin 20steE een belangrijke sardienenhaven. Daar is de klad in gekomen en dat zie je.
Er worden zo te zien nog traditionele houten schepen gebouwd. Langs het water heerst een prettige drukte, maar vooral natuurlijk voor de pleziervaart en de plastic jachten. Het is gezellig.
We drinken een biertje op een terras onder de bomen. Vakantiegangers (bijna alleen Fransen) en autochtonen (bijna alleen bejaarden). Ik koop een boekje over Ouessant bij de krantenwinkel aan de overkant.
Later komen we bij de huidige werkhaven. In dat gebied staat veel leeg; je zou het bijna troosteloos noemen. Toch is er nog leven langs de kades. Vooral ook van de miljoenen meeuwen, die de boel hier terroriseren mag ik wel zeggen. Ik bedenk dat als de mensheid ten onder gaat, en dat gaat ze, de meeuwen zullen blijven bestaan. Wat een lawaai. Komt waarschijnlijk, omdat hier de vissersschepen lossen. Ik denk overigens dat die branche er evenmin florissant bijligt. Europa? Groot Brittannië? Veel graffitti: RENDEZ-MOI MES THUNES ! ANTI TOUT ! Die laatste in een schattig gespoten hart, omringd door kleine, dito schattige hartjes.
’s Avonds eten we er op een terrasje.
We slapen goed in het bizarre hotel. Als ze daar nou eens zouden beginnen met een emmer sop, een dweil en een pot verf.
Hotelontbijt. Met boogie woogie en Bennie Goodman, dat is waarschijnlijk al zo’n jaar of zeventig de muziekkeuze. Ook het hotel zelf lijkt onveranderd te zijn gebleven. Je krijgt bijna een ‘Le-Bal’-gevoel. De dames achter de balie – de een gaat ons licht hinkend voor naar onze kamer, de ander met mondkapje (ook al is er geen kat in de buurt) – zitten daar sinds het begin der tijden. Zij hebben nog meegemaakt, lang geleden, dat de Minerva’s kwamen voorrijden, dat piccolo’s de valiezen naar de kamers brachten en dat er gedanst werd in de salon. Daarna kwamen decline and fall. Slechts een verdwaalde toerist en een enkele handelsreiziger nemen hier nu nog hun intrek. Er is niemand in het zwembad. Het is stil in de salon. De oude glorie hangt als verstofte spinnenwebben in de ruimte.
Of zoiets.
Ik probeer ook eens een metafoor.
Nieuwe dag.
Een uur op de boot naar het eiland.
Eerst een beetje rondhangen, koffie drinken en plattegrond bij het Gare Maritime vragen, dan wandelen.
Fris en puur is het hier.
In mijn rugzakje heb ik drie stenen, afkomstig van een andere Keltische kust langs dezelfde Keltische zee. Ik heb beloofd (mezelf vooral) om die aan dit eiland te geven. De bezoekers wordt immers dringend gevraagd om geen stenen mee te nemen, hoe aanlokkelijk dat ook is. Er liggen er inderdaad ontelbaar veel en allemaal prachtig rond afgesleten. Maar die stenen, ‘galets’, zíjn het eiland. Ze vormen de bescherming van al wat er is, dus niet meenemen!
Vandaar.
Vandaag naar de Pointe. Drukte.
Toen we hier de eerste keer waren, jaren geleden, was het winter en onze Bretonse vriendin en wij waren er de enigen. Het was ‘woest en ledig’. Die herinnering willen we koesteren, dus we benaderen de punt van een andere kant.
Wandelen. Adembenemende uitzichten. Vanaf de hoge rots zie je beneden de woeste zee. En dan weer niet. Je slaat vervolgens een pad in en opeens hoor je in de diepte de branding. En meeuwen.
Er liggen her en der enorme rotsblokken, afgerond door wind en water. Sommige – vertelde de vriendin – hebben de naam van de reus die hem daar in de oertijd neersmeet.
Wilde kamperfoelie, wilde lathyrus, brem, erica, herik, wilde wortel, groot kaasjeskruid, witte koekoeksbloem, jacobskruid …
Dit zijn de beelden, geluiden, geuren, waarvan we bijna afscheid nemen.
III.
Thuis. Alles is hetzelfde en alles anders.
In de potten op het balkon proberen lathyrus en korenbloemen bijen te verleiden. De hortensia doet haar best en de viooltjes moeten uitgedund. Het wild kattenkruid mag er wezen net als de stokrozen.
Ik ga voor het eerst sinds ruim een maand naar mijn atelier. Het is er warm, stoffig en een beetje benauwd. Mijn laatste tekeningen liggen er bij als verloren vissen in een opgedroogde vijver, als lost luggage op een verlaten perron. Ja.
Het ‘zout op mijn huid’ moet zich even aanpassen en dan zijn we er weer.
Uitgewaaid en wel.

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn om een reactie te geven.