Het dagprogramma luidt: ECG, daarna de pacemaker checken en afregelen, dan een echo van het hart en dan het felbegeerde gesprek met de cardioloog, de enige echte, degene voor wie we binnen de bureaucratie van het gezondheidswezen gevochten hebben.
Het is begin april, een redelijk prettige, niet al te koude ochtend en ik rijd mijn hoogbejaarde moeder naar het provincieziekenhuis, waar het allemaal gaat gebeuren.
We nemen plaats. Wachtruimte. We volgen de lijnen op de vloer.
We nemen weer plaats.
De pacemakertechnicus huist in een andere vleugel. De blauwe lijnen. We gaan in de wachtruimte zitten en dan worden we binnengeroepen in een piepklein kantoortje.
Het oude vrouwtje mag op de onderzoekstafel gaan liggen.
Schoenen uit, niet praten. Ik mag op een krukje in de hoek. Het heeft al met al wat weg van een fietsenmakerswerkplaats met computerschermen.
De pacemakerjongen stelt enthousiast vast, dat het apparaatje het afgelopen jaar onafgebroken aan zet is geweest. En dat de activiteitsscore van mijn moeder vrijwel nihil is geweest. Dat kun je teruglezen. Blijkbaar. Ik leid hieruit af dat er zonder pacemaker geen leven is.
Mijn moeder wordt met een gele en een blauwe enkelband en met her en der aangebrachte elektroden aangesloten op de computer.
Een wirwar van bontgekleurde draden verbindt haar met het wereldwijde web. Het piept, er verschijnen grafieken op het beeldscherm en er komen witte stroken met cijfers tevoorschijn uit nog weer een andere machine. Met een soort AED wordt de pacemaker gecheckt en de jongen regelt met een stylus via het touchscreen de hartslag en stelt de werking van het apparaatje opnieuw in.
Ze kan er weer minstens vijf jaar tegen. De vraag of iemand er überhaupt nog tegen wil kunnen is op geen enkel moment aan de orde. Tot over een jaar. “Als ik het haal”, zegt mijn moeder. Dat heeft ze deze ochtend tegen iedereen gezegd.
De echo. In een halfduistere ruimte, waar twee bezeten dames (zo bezeten, dat ze mij aanraden om op internet eens zo’n hartklepoperatie te bekijken – nou nee, bedankt) echoresultaten zitten uit te lezen, waar de VLOP GLOP hartgeluiden uit de machine komen, zit ik op alweer een krukje te kijken hoe het stokoude vrouwtje half ontkleed, met haar rimpelige, oude olifantenvel, op haar zij moet liggen, terwijl op een aantal plaatsen op haar lijf een glibberige substantie wordt aangebracht en er echo’s worden gemaakt. Wat voegt dit toe, denk ik.
Ik help met weer aankleden, dat mag niet te lang duren, want de volgende staat al te trappelen, prettige dag nog, tot volgend jaar – “als ik het haal” –, maar de smurrie moet nog afgeveegd met keukenrol en dan zijn we al toe aan het laatste onderdeel van deze dag.
Het consult bij de cardioloog is kort. Hij zegt dat er voortdurend voorkamerfibrilaties zijn, dus hartkloppingen, die steeds gecorrigeerd worden door de pacemaker en die kleine klontertjes in de hersenen kunnen veroorzaken. Wat waarschijnlijk de afgelopen tijd is gebeurd. Verder is er ergens aan een andere klep een lekkage, die iets erger is dan voorheen. Bent u kortademig? Nee? Medicatie aangepast en we mogen naar huis. Tot over een jaar. “Als ik het haal”.
Ik stel voor om maar eens even ergens een kopje soep te gaan eten. Dat is gezellig. Dat vindt ze fijn. Het begint ook eindelijk een beetje aangenaam weer te worden. Nog te koud om buiten te zitten, maar toch.
Bij haar thuis programmeer ik een nieuwe telefoon met koeienletters, cijfers dus, voor de doofblinde. Als de telefoon afgaat klinkt er een zeer luide bel en beginnen er blauwe lichten te knipperen, zodat het lijkt of er een politieauto op je bureau staat.
Een overzichtelijk ding.
Nou, dag mam, tot volgende week, als ik straks thuis ben zal ik je bellen.
Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn om een reactie te geven.