Laatst dacht ik aan mijn lagere school. De Openbare. Zeker niet de Christelijke, de School met de Bijbel. Nee, mijn moeder was er klaar mee, wilde niks meer met de kerk te maken hebben en mijn vader was er helemaal niet mee bezig. Ik ging naar de Openbare.
Op een dag kregen we er een jongen bij in de klas. Hij had een koffie-met-melk-kleurige slobberige trui aan. Was helemaal een beetje slobberig. Jos Lommen. Jos Lommen was katholiek. Katholiek. Dat kwam in ons hele dorp niet voor, niemand had nog ooit een katholiek gezien en iedereen wist het al nog voordat Jos Lommen in zijn slobbertrui de klas kwam binnenstappen. Het was een gebeurtenis. Wij staarden onafgebroken naar Jos Lommen en giechelden achter zijn rug. Katholiek!
Kon je het zien? Hoe anders is dat? Hoort zo’n trui erbij?
Jos Lommen paste zich goed aan, was zelfs brutaal tegen de onderwijzer en werd geaccepteerd en in de pauze durfden we hem vragen stellen.
Vooral wilden we weten of hij altijd naar de kerk ging. En wat daar gebeurde en wát hij dan geloofde. En wijwater, wat is dat? En was hij gedoopt? Hij was er niet echt happig op om het erover te hebben, maar vond de aandacht van de meisjes wel fijn. De jongens waren niet zo geïnteresseerd in dit aspect van Jos Lommen. Maar wijzer werden we niet.
Niet dat het hiermee klaar was. Het bleef een situatie. Als we – hoewel Openbare School – bijbelles kregen, een uur per week, van de dominee, moest Jos Lommen de klas uit. Waarom en door wie dat was bedacht weet ik niet, maar het onderstreepte nog maar eens de segregatie, waarin we leefden. Overigens niet alleen tussen katholieken en protestanten. Ook tussen de School met de Bijbel en de school (op een uur per week na) zonder de bijbel. Tussen kerkgangers en niet-kerkgangers (ik). Ook tussen alle verschillende protestantse stromingen, die het minidorpje aan de Schelde kende: De Gereformeerde Bond, Artikel 31, de Gereformeerden, de Christelijk Gereformeerden, de Oudgereformeerden, de Hervormden, het kerkje van Stien. Veel zwarte kousen. Die laatste ‘kerk’ was gesticht door de plaatselijke schoenmaker, uit onvrede over de andere stromingen. In eerste instantie hield hij voor zijn volgelingen diensten bij hem thuis, achter de schoenmakerij, later in een gebouwtje elders. Voor ons kinderen was dit allemaal gewoon. Of nee, we waren eraan gewend. We leefden in vrede samen. Moest wel. Je moest toch ergens aardappels kopen, je schoenen laten lappen of naar de tandarts of de dokter.
Zo ging dat.
Wat zal ik er verder nog van zeggen.
Gelukkig gaat het tegenwoordig allemaal veel beter?

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn om een reactie te geven.