Plaats van handeling: VU Amsterdam, Audiologie, spoedafdeling.
Soms moet je op zo’n plek zijn.
Vrijdagmiddag. Ik zit te wachten. In een grote, min of meer leuk gemaakte ruimte. Er is gratis thee en koffie.
Aanvankelijk zijn er nog andere wachtenden, maar langzaamaan wordt
het leeg. Na een uur krijg ik van de patiënt die ik daar heb afgeleverd, een appje dat het nog wel even kan duren, want er gaat daar technisch iets mis.
Ik observeer.
Dit ben ik niet meer gewend, het gedrag van deze andere mensen.
Het is hier het buitenland.
Daar zit ik, in dat ruime, modern gemeubelde wachtlokaal met de open balie als checkpoint en ik zie en hoor hoe het gaat.
Íedereen is hier de baas. In elk geval over zijn eigen leven.
Íedereen heeft de grootste praatjes. En niemand laat zich doen.
En er valt geen onvertogen woord.
De balie wordt bestierd door een mevrouw met stevig blond piek-kapsel, leesbril en duidelijke dictie.
Alle gesprekken zijn te volgen. Ook R’s specialist is tijdens het wachten op zijn patiënt aangeschoven achter de balie. Iedereen komt daar trouwens zitten, zodat ik nu weet dat dokters moeder 60 jaar is en de baliemevrouw idem.
Twee dames (patiënten), eind-vijftigers, strakke, korte rokjes, kwieke laarsjes, kloeke brillen, duidelijke lipstick, verlaten met ferme pas de wachtruimte. Opeens draait eentje zich om en vraagt op stellige toon aan de baliemevrouw: “Zeg, wat is hier eigenlijk het beleid met die mondkapjes? Moet je ze nou wel of niet op?”.
Krijgt een even kort en helder en blijkbaar afdoend antwoord.
Ik bedenk dat als je dat in mijn huidige land op deze manier zou vragen, ze de beveiliging zouden bellen.
Nee, hiér is niemand bedeesd.
De mensen van de balie willen eigenlijk naar huis en tenslotte breekt het consult aan; de arts roept mij mee naar binnen. Hij meldt R, dat ‘je vrouw – ik dus – het ook helemaal heeft gehad’. (Hoe zo?)
Met een ijselijk klein apparaatje wordt er iets verricht in het rechteroor van mijn geliefde. De hele actie is te volgen op een groot beeldscherm.
Ik ben nooit voorbestemd geweest, noch ben ik dat nu, om arts of iets dergelijks te worden en ik vind het er niet prettig uitzien.
Patiënt mag weg met medicatie, goede raad en een nieuwe afspraak.
Die maken we bij de als laatste achtergebleven mevrouw aan de balie. Kan ze eindelijk naar huis.
De ziekenhuisapotheek. Wachten. Ook hier: gedoe, wensen, discussie, maar alles in harmonie. Eigenlijk is het te laat wegens vrijdagmiddag. De mevrouw van de balie komt – op weg naar huis – even checken of we onze spullen nog wel krijgen. Tof.
Het is allemaal makkelijk en overzichtelijk. Als iets je niet bevalt, zeg je het even. Als je iets wil weten, vraag je het. Als je gewoon iets vindt, dan meld je het. Never a dull moment.
Maar het mag van mij wat minder. Het is wel een hoop drukte.
Was ik ook zo? Als Amsterdammer.
Ik denk het.
Daar de straat opgaan was in principe altijd een uitdaging. Van overal kon de aanval komen. Dus gewapend zijn met weerwoord was wel het minste.
Hier is het rustig in de wachtlokalen. Iedereen zit er een beetje in zijn schulp te wachten. Wachten is een kunst. Het personeel aan het onthaal is vriendelijk en adequaat. Het is goed. Je hebt niet het gevoel dat je komt oorlogvoeren of dat jou de oorlog is verklaard.
Dat kan dus.
Pauze nemen. En stil zijn. Maar helaas, daar hoort bij dat meestal niet duidelijk is waar je staat, wat er van je wordt verwacht, wat “ze” vinden.
Geen golfjes in elk geval. Drijfzand. Geen weg terug.
Gelukkig.

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn om een reactie te geven.