Het komt door de woorden.
Sinds ik in België, meer speciaal in Vlaanderen woon, verzamel ik de voor mij nieuwe woorden of oude woorden met nieuwe betekenis, die ik hoor en lees. Ik maak lijsten en bewaar zinsneden en uitdrukkingen (‘doorheen de tekst’ en ‘ik voel me in mijn gat gebeten’ etc.) Ik leer een nieuwe taal. En taal bestaat niet alleen uit woorden.
Met die uitgebreide woordenverzameling (‘ambras, borduur, gerief, goesting’ enzoverder) komt er van alles bovendrijven.
En ik zou die taal en alles erbij echt wel willen leren. Maar.
Het helpt ook helemaal niet dat ik Zeeuws spreek. Dat heb ik wel eens (in wanhoop) uitgeprobeerd. Iemand staat me te woord in het diep, ver weg, oud Vlaams, ik denk, ik doe mee en – want met Nederlands gooi je geen hoge ogen – ik antwoord in mijn eigen taal. Zeeuws.
Doodse stilte. Een holle blik. Speelt u met mijne voeten? Mijne? Ja. Dat vind ik jammer. Ook in het Zeeuws heb je ‘de’ en ‘den’ (den hof) en ‘mien’ en ‘miene’, maar dat heb ik niet goed geleerd.
Inderdaad: geleerd. Ik heb die taal geleerd toen ik zes jaar was. Tot dan toe sprak ik Nederlands, want dat spraken we thuis, hoewel mijn moeder als ouwe Zeeuw goed Zeeuws sprak.
Mijn schoolvriendinnetje Coby Wisse vond op zeker moment dat het tijd werd dat ik Zeeuws ging leren praten. We kenden elkaar al van de kleuterschool. We stonden op een dag op het schoolplein, ik heb de situatie nog scherp op mijn netvlies. We stonden rechts naast de schooldeur, bij het muurtje waar we ook ‘lange-bok’ speelden.
Het was pauze, de lagere schoolperiode was één dag oud en Coby nam me apart en sprak: Marina (we zitten nu op de grote school) nu moet je echt Zeeuws gaan praten. Want .. wat? Dat weet ik niet meer. Misschien: dan kan ik je vriendin niet meer zijn of dan wil niemand met je spelen? In elk geval was het belangrijk.
Dus. Ze heeft het me geleerd en ik kan het.
Nochtans waren en bleven mijn familie en ik ‘stadse mensen’ en ook daar in Zeeland ben ik altijd een ’alien’ gebleven.
En nu dit weer. Hier. Je houdt het. Zelfs na 25 jaar word je uitgelachen als je eindelijk eens iets Vlaams’ denkt te zeggen. Nu is het niet direct logisch om te beginnen met ‘ik ga naar ‘hois’, maar toch. Allez. Ik doe mijn best. Weeral.
Ik herinner me intens de Zeeuwse polder, waar we op onze stepjes ronddwaalden. Waar we ons van de dijk lieten rollen. Waar het geurde naar vochtig gras. Waar bij Coby op het erf een keer een varken werd geslacht (we mochten pas terugkomen toen dat klaar was: ‘das nie voe kleine guust, voe kinders’) en waar de hele familie in grote potten het vlees stond te koken (denk ik) om het in glazen potten (bokalen) te bewaren. Spek werd uitgebakken. De reuzel werd ook in potten gestoken. Wij kregen kaantjes en de boerenkatten kregen restjes toegeworpen en werden overigens weggejaagd. Alles glibberde van het vet en ik zal de zware geur nooit vergeten.
Ook bij Coby thuis hoorde ik via de pick-up van haar oudere broer voor het eerst “Kom van dat dak af” van Peter en zijn Rockets, wat me heel erg, destijds, de slappe lach bezorgde.
Ik ben Coby Wisse uit het oog verloren toen ik na het laatste jaar met een paar andere kinderen uit de klas naar de middelbare school ging. Coby niet, hoewel ze het zou kunnen. Die mocht niet van thuis. Om wat voor reden dan ook. Jammer.