Ik check op mijn balkon hoe het gaat met de Blauwe Klimmende Winde. Komen de zaadjes al uit? Het gaat goed. Al wel een stuk of negen beginnen eraan. De ochtend is al warm en klam.
En flits: Ik ben 11 jaar en ik fiets naar het haventje van De Rijke om te gaan zwemmen.
Het is zo’n lome ochtend. De warmte komt eraan, dat voel je. Ik weet dat de dag gaat eindigen met een plensbui. Ik zal zo nat worden dat mijn kleren aan mijn lijf plakken. Het zal drukkend warm worden.
Toch fiets ik door het boerenland, er staat een zacht windje,  leeuweriken in de lucht, langs de boerderij van Van Iwaarden, langs de boerderij van Mosselman, over de macadamwegjes, met mijn rood-wit gestreepte zwemtasje onder de snelbinders op mijn bagagedrager. Naar het dijkje met erbovenop een bemost muurtje, waar we onze zwemtassen en kleren leggen en onze schoenen.
De fietsen liggen onderaan de dijk. Er liggen er al heel wat, als ik daar aankom.

Het is hoog water. Het haventje, een rechthoek van basaltkeien en slordig beton is volgelopen.
Er zijn jongens met enorme zwembanden – oude binnenbanden van trekkers – in het water aan het springen. Meisjes, zoals ik, worden onder water geduwd. Happen naar adem. Leuk. Denken ze, de jongens.
We zwemmen en kletsen tot de lucht betrekt en het begint te waaien, nee nog even, tot de eerste warme druppels komen, nog even, tot de zon weg is en de eerste donderklap valt en de regen nu serieus met bakken uit de donkergrijze wolken neerkomt. We krijgen de volle laag. We kunnen nergens schuilen, maar zitten op een kluitje bij elkaar en gaan, als de natuur wat tot rust komt, drijfnat en bibberend naar huis.

Thuis niemand ongerust.
Alles veilig.
Morgen weer.
Of overmorgen.
Het was – dat weet je nu – GELUK.