I.
mijn beste kennis is een oude eik
zijn haren in de war
huis van de druïden
mijn andere beste kennis is een mens met een hoofd als een valies
van alle markten thuis, die kennis
schriften, pennen, een opblaasbare zwemband
en intussen bloeit de courgette
de druïden wachten
de oude eik ook
de mens torst
mijn andere andere beste kennis bestelt een broodje halfom
om op straat op te eten
geen druïde
toch ongenaakbaar, die eik
hij staat er gewoon
kijkt niet op van een stormpje
buigt minzaam mee
geworteld naar heinde en verre
en ik dan?
het staat er gewoon: ongenaakbaar
ik hou van die eik, ergens in een bos, een park, preciezer kan niet, want
het gaat dus niet zo zijn dat hij iedereens eik gaat worden,
mijn eik
(schrap die strofe maar)
II.
de suffe wesp vliegt, met de akelige zomer in zijn lijf, naar binnen
verschanst zich in potjes en onder gereedschapsfoedraaltjes
opeens wijkt de versuffing en katapulteert hij zichzelf naar het openstaande dakraam
III.
(dit schreeuwt om een haiku
hoe zat het ook weer
vijf zeven vijf
of …)
oh ja, het ogenblik
hoe zat het ook weer
vijf zeven en nog eens vijf
of zie maar even
en boven en de
natuur en beneden en
rust en ruimte en
rommel en geroezemoes en suizende stilte en een grote bek bij de bakker
de wafelbakker
wat nu weer?
IV.
potloden en gum
een streep door mijn gedachten
een nieuwe bladzij

Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn om een reactie te geven.